GELOVEN IN LESGEVEN

Er zijn van die boeken over onderwijs die je als leraar na een paar bladzijden teleurgesteld neerlegt. Het gaat inderdaad over onderwijs, maar het heeft eigenlijk weinig te maken met wat er in je klas gebeurt. Dat is met Geloven in lesgeven, didactiek als christelijke praktijk heel anders. De schrijver, David Smith, weet wat het leraarschap inhoudt. Hoewel inmiddels hoogleraar onderwijskunde aan Calvin University in Grand Rapids, is hij leraar met hart en ziel gebleven. Duidelijk en herkenbaar schildert hij wat er in zijn klas gebeurt. Als docent zie je het voor je ogen gebeuren. Dat spreekt aan.

Toch is dit niet alleen een boek over de lespraktijk. Zo’n boek dat vooral trucjes aanleert: als de klas zo doet, moet jij als docent zus doen. Geen blauwdruk, geen voorschriften, maar wel herkenbare situaties om de onderliggende visie te illustreren. David Smith schrijft: “Aan de ene kant ben ik ervan overtuigd dat het christelijk geloof nieuwe impulsen kan geven aan didactische ontwikkeling. Aan de an­dere kant ben ik ervan overtuigd dat het christelijk geloof niet een eenvoudig voorschrift geeft hoe we moeten lesgeven, en evenmin een unieke, exclusief christelijke set werkvormen.” Dat resulteert in een onderliggende visie die meteen blijkt in de ondertitel: didactiek als christelijke praktijk.

Christelijke praktijken

In de Nederlandse context is dit een tamelijk nieuwe gedachte. Er is en wordt hier te lande veel nagedacht over christelijk onderwijs. Dat kan gaan over vakinhouden, over pedagogiek, over de persoon van de leraar, maar het gaat zelden over didactiek. David Smith zoekt naar christelijke praktijken in het klaslokaal. Zonder dat we ons ervan bewust zijn, zijn die praktijken immers vormend voor onze leerlingen. Het zijn ‘liturgieën’, ‘love shaping practices’ zoals ik James K.A. Smith (Amerikaans theoloog en filosoof die eerder samen met David Smith publiceerde) in een podcast hoorde zeggen.

De eerste negen minuten

Het is verleidelijk om uitgebreid uit het boek te gaan citeren. Bijvoorbeeld over de eerste negen minuten van de eerste les in een nieuwe klas. De docent heeft minutieus nagedacht over de indeling van het lokaal, over zijn eigen plaats en die van de leerlingen, over de activiteiten in die eerste negen minuten. Waarom? “Ik hoop dat mijn openingsactiviteit meteen aan het begin van het semester een gevoel van gezamenlijkheid zonder intimidatie oproept, en dat hierdoor de betrokkenheid en het leerproces over de langere termijn worden bevorderd.”

Karikaturen of mensen?

Ik zou ook het hoofdstuk over het lesplan uitgebreid voor het voetlicht kunnen halen. Smith begint met de vraag of de leerlingen via ons lesmateriaal kennismaken met echte mensen, geschapen naar Gods beeld, of met karikaturen. Hoe zien de plaatjes in onze taalmethode eruit, waar gaan de leesteksten over? Welke taal hanteert het boek – en spreken wij dat als docent klakkeloos na? “Het taalgebruik in veel leergangen voor een tweede taal kun je weliswaar omschrijven als ‘beleefd en praktisch’, maar diepgang en nabijheid ontbreken, beperkt als het meestal is tot de sfeer van alledaagse transacties als iets kopen, je voorkeuren kenbaar maken, uitstapjes maken. Als het erop aankwam iets van anderen te leren, moesten de personages die we tegenkwamen uitstijgen boven het niveau van het transactionele. Dit betekende het herzien van het scala aan genres in tek­sten en spreekvaardigheidsoefeningen die ik gebruikte in de les.”

Als we daarnaar zoeken, stelt de auteur, krijgt ons onderwijs echt morele betekenis. We leveren, bijvoorbeeld in de les Duits, niet in op het taalniveau van onze leerlingen, maar we voegen wel iets wezenlijks toe. Christelijke vorming krijgt gestalte in de alledaagse lespraktijk. Smith zegt het zo: “Ik wilde dat mijn leerlingen het lokaal voor Duits zouden ervaren als een plek van morele betekenis.”

Genoeg geciteerd. Hoewel, nog een citaat dan, uit hoofdstuk 4 dat de titel draagt ‘De ziel in beweging’: “De uitdaging om een christelijke leraar te zijn is niet maar een kwestie van opletten wanneer je iets christelijks te berde kunt brengen, of van een aardig iemand zijn, maar van uitvogelen wat het ‘patroon van deze wereld’ is waaraan we bezig zijn gelijkvormig te worden, en van ontvankelijk­heid voor vernieuwing (Romeinen 12:1-3).”

Gebruiksboek

En wat valt er verder over dit boek te melden? Onder andere dat het eerste deel van het boek de stelling verdedigt dat geloof een vormgevende factor voor de didactiek is, en het tweede gedeelte een meer gedetailleerde verkenning van het ontwerpproces van een les geeft. En verder dat elk hoofdstuk afsluit met ‘Handvatten voor bezinning en discussie’ en een ‘Logboek’. De handvatten geven gespreksvragen om voor jezelf te overdenken of met anderen te bespreken. Het Logboek begint steeds met dezelfde zin: “Zoek een tijd en een plaats waar je rustig kunt nadenken.” Daarna wordt de verbinding tussen de lezer en de inhoud van het hoofdstuk gezocht, bijvoorbeeld: “Hoe kun je jouw lesgeven in verband brengen met de liefde voor God en de naaste? Noteer zo veel verbanden als je kunt en bedenk dan welke het vaakst en welke het minst vaak in jouw lessen in praktijk gebracht worden. Hoe kun je het ontwerp van je lessen op dit punt bijsturen?”

Initiatief

Geloven in lesgeven is de Nederlandse vertaling van On Christian Teaching, in 2018 verschenen bij Eerdmans in Grand Rapids. Het past helemaal bij dit boek dat de vertaling tot stand kwam op initiatief van twee docenten: Jurrian Fahner, senior docent godsdienst en klassieke talen en Jan Bollemaat, senior docent godsdienst en mens en religie, beiden verbonden aan Greijdanus. Bram de Muynck en Piet Murre, lectoren bij Driestar hogeschool, schreven een inleidend hoofdstuk. Financieel droegen deze beide organisaties hun steentje bij, maar er was ook een subsidie van het Steunfonds Christelijk Onderwijs van Verus. Kortom: dit is een boek dat breed gedragen wordt in het christelijk onderwijs. Het is het waard om ook breed gelezen en besproken te worden.

Deze bijdrage is van

Henk Vermeulen

Regisseur identiteit en vorming

Driestar educatief