Verduidelijking wetsvoorstel burgerschap in het funderend onderwijs

Een bijdrage van Drs. G. Hagens, docent Latijn, Grieks en Godsdienst aan De Passie

 Wat je in het vervolg van dit stuk vindt, is

  1. informatie over de nieuwe regelgeving rond burgerschapskunde. Deze informatie is geput uit de wet zelf, de memorie van toelichting, de aanvulling op de memorie van toelichting, en nog een paar aanvullende beschouwingen.
  2. een eerste aanzet tot implementatie van deze verduidelijking binnen het schoolcurriculum.

Let wel: dit is geen afgerond verhaal, maar een eerste oriëntatie, die niet de pretentie heeft compleet te zijn, maar eerder aanvulling en aanscherping behoeft. Het gaat hier om een werkdocumen, dat wil helpen bij het nemen van stappen op weg naar de implementatie van de nieuwe regelgeving..

I. Inleidende opmerkingen

I.1.De wet ‘ verduidelijking burgerschap in het funderend onderwijs’ houdt het volgende in :

Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, waarbij het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar richt op:

  1. het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet, en de universeel geldende fundamentele rechten en vrijheden van de mens; en
  2. het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.

3a. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de waarden, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden.

 Deze verduidelijking geldt voor P.O en V.O

.I.2  De gebeurtenissen in Parijs, Nice, Wenen en Rotterdam onderstrepen het belang van bezig zijn met burgerschapskunde.Radicalisering is en blijft een gevaar; de ‘ spanning’ tussen vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst vragen blijvend om reflectie.

I.3 De wetstekst is kort en sober. De memorie van toelichting, alsmede de later gepubliceerde aanvulling daarop, geven een duidelijk beeld, waar het in deze verduidelijking om gaat, en welke verplichtingen hieruit voortvloeien.

Inhoud

II.A. formeel

II.A.1 Op 5 punten betekent deze wet een aanvulling op de bestaande praktijk :

  1. Veel duidelijker dan in de eerdere regeling wordt inhoud en bedoeling van burgerschapsonderwijs beschreven.
  2. Er moet sprake zijn van een doorgaande leerlijn en leerdoelen (onderwijs op een doelgerichte en samenhangende manier)
  3. Het onderwijs heeft een verplichtend karakter; goed onderwijs in burgerschap is nu een deugdelijkheidseis. Niet nakomen kan gevolgen hebben voor de financiering.
  4. Er is een zorgplicht van het bevoegd gezag. De schoolcultuur moet in overeenstemming zijn met de waarden die bij burgerschap aan de orde komen (school als plaats van herkenning). En hoewel een uitspraak van een individuele medewerker de schoolcultuur niet direct in een kwaad daglicht zet, moet het bevoegd gezag toezien op het gedrag van OP, OOP en vrijwilligers. Hier vallen termen als monitoring en facilitering.
  5. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht, niet alleen naar de inspectie toe, maar ook in de schoolgids en in het schoolplan.Duidelijk moet omschreven staan, hoe het bevoegd gezag de oefening in goed burgerschap vorm geeft en in het curriculum, en in de school als geheel . (school als oefenplaats)

II.A.2 Bij alle verduidelijking is er ook sprake van aansluiting bij het verleden.De wet sluit aan bij eerder geformuleerde kerndoelen in het PO (34 t/m 39) en in de onderbouw van het VO (35-38, 43-45, 46, als ook bij kerndoel 6 voor het vak Nederlands, kerndoelen, waar blijkens rapportages te weinig mee gerekend is.Vandaar dat het inspectie-toezicht op dit punt ook wordt geintensiveerd.

II.A.3. tegelijk wordt in deze verduidelijking niet alles geregeld. Leer-en kerndoelen, alsmede een concrete doorlopende leerlijn, worden niet genoemd.Niet uitgesloten wordt, dat op dit punt nog een nadere invulling zal komen. Voor alsnog verwijst de minister naar de activiteiten rond curriculum.nu , met de verwachting dat die leiden tot een doortimmerde concrete opzet.

Tevens verwijst de minister hier naar de vrijheid van onderwijs, concreet de vrijheid van (in)richting.M.n. waar het gaat om vaardigheden en attitude, speelt de identiteit van de school een belangrijke rol. Scholen krijgen de ruimte voor een eigen invulling. Wel legt de minister er de vinger bij dat deze vrijheid wel binnen het kader van de wet moet worden ingevuld.

II.B. Materieel

II.B.1 De doelstelling van de wet is helder : leerlingen moeten leren functioneren in een pluriforme en democratische samenleving. Uit de memorie van toelichting blijkt dat functioneren ook betekent : participeren in….Op deze manier moeten scholen een positieve bijdrage leveren aan het in stand houden van de rechtsstaat.

II.B.2 Deze doelstelling heeft allereerst een cognitief aspect : wat is democratie, wat is een rechtsstaat, hoe is die tot stand gekomen, wat zijn de spelregels daarvan.

Daarbij gaat het niet slechts om ‘ feitelijke’ kennis, maar ook van de onderliggende ‘ basiswaarden’:

-menselijke waardigheid

-vrijheid

-gelijkheid

-solidariteit

Hier vallen termen als ‘ kennis van..” en ‘ inzicht in…’, maar rond die abstracte basiswaarden gaat het nog een stap verder : ‘ respect voor…” De basiswaarden kunnen soms lijken te conflicteren, hetgeen ruimte geeft voor reflectie en discussie – discussie is prima, mits er sprake is van tolerantie en positieve verdraagzaamheid – maar….ze staan NIET ter discussie. De basiswaarden vormen een conditio sine qua non, waar niet aan mag worden getornd. Van de docent wordt verwacht dat hij/zij op dit punt wegwijzer is en rolmodel : in dat respect gaat hij/zij voorop.

II.B.3 Zoals gezegd, het gaat er niet maar om dat de leerling weet hoe de rechtsstaat funcioneert, maar ook dat hij/zij daarin participeert : concrete betrokkenheid. Het gaat dus ook om competenties – vaardigheden en attitudevorming.

Vaardigheden worden vereist op het punt van :

  • Het formuleren van een eigen mening
  • Discussiëren
  • Omgangsvormen
  • Naleven van de spelregels van de rechtsstaat

Tegelijk gaat het om meer dan alleen de ‘ buitenkant’. Ook op het punt van houding moet er iets gebeuren. Gesproken wordt van :

  • Waarheidsgetrouwheid
  • Empathie
  • Sympathie
  • Respecteren van de mening van een ander
  • Bereidheid je zelf te laten corrigeren
  • Verantwoordelijkheidszin
  • Verdragen van onzekerheid/ ambivalentie

Burgerschapsonderwijs heeft dus behalve een cognitieve ook een sociaal-culturele en zelfs een morele dimensie. Hoe die worden ingevuld, hangt sterk af van de identiteit van de school. Vandaar dat de toetsing door de inspectie hier terughoudend zal zijn, en niet inhoudelijk. De minister verwerpt de suggestie dat wat hij voorstelt een inperking zou betekenen van de vrijheid van onderwijs.

II.B.3 Tegelijk raakt burgerschapsonderwijs ook de school als geheel. De school is de oefenplaats. Dat geldt op twee manieren :

a.de leerlingen moeten de waarden, die ze bij burgerschapskunde zich eigen maken, ook terugzien in de schoolcultuur zelf. In de ruimte die leerlingen krijgen, in de manier waarop ze worden bejegend en hun mening wordt gerespecteerd, moet de school ook zelf zichtbaar maken de basiswaarden van de democratische rechtsstaat te respecteren.Er mag dus geen discrepantie zijn tussen wat leerlingen leren en op school ervaren.

Anderzijds is de school ook de plaats waar leerlingen – in relatie mer elkaar –kennis en vaardigheden in praktijk brengen. Daar moet ook ruimte voor zijn : het feit dat afwijkende meningen kunnen worden geuit, die ‘ schuren’ met wat de wet beoogt, betekent niet direct dat daarmee aan de wet te kort wordt gedaan. Tegelijkertijd moet het bevoegd gezag er wel alert op zijn, dat de schoolcultuur, op zichzelf en in z’n totaliteit wel degelijk de sfeer ademt, die past bij een democratische samenleving.

III Uitwerking

Onderwijs

 III.A.1.Het ‘ cognitieve’ aspect van de wetswijziging betreft m.i. vooral de vakken maatschappijleer (de rechtsstaat zelf en de onderliggende waarden), geschiedenis (het ontstaan daarvan) en klassieke talen (de wortels). Hoe en en ander concreet wordt ingevuld, zal aan de hand van een leerlijn met duidelijk gefaseerde doelen helder gemaakt moeten worden.

III.A.2.Wat het sociaal-culturele en het morele aspect betreft, dat valt deels onder het ‘ normale’ vakonderwijs, zoals bij Nederlands (argumenteren, discussiëren), godsdienst (morele vorming, multi-religoisiteit, sexuele diversiteit), geschiedenis (Nederland als land van tolerantie), a.k. (migratie, vluchtelingenprobleem), W&L (antropologie, ethiek, sociale filosofie).

Aan de hand van een leerlijn zal inzichtelijk gemaakt moeten worden, hoe de verschillende vakken bouwen aan sociaal culturele en morele vorming.

III.A..3  Voor een (groot) deel valt het sociaal-culturele en morele aspect ook onder vakoverstijgende vormingsprojecten. In ons vormingsconcept hebben alle domeinen ook een politiek-maatschappelijk, sociaal –cultureel en morele focus. Het is de bedoeling dat ook de vakoverstijgende projecten in een doorgaande leerlijn een opbouw laten zien, waarvoor ook opeenvolgende leer- en vormingsdoelen moeten worden geformuleerd.

III.A.4. In de bovengenoemde gevallen gaat het om aansluiting en uitbouw. Aansluiting bij wat nu al gebeurt, en verdere uitbouw om ook aan verder strekkende eisen van de wet te voldoen.

Ter verantwoording voor de inspectie en tegelijk als borging voor de toekomst zal een en ander in het schoolplan  helder gedocumenteerd moeten worden.

Vervolgens wordt een samenvatting van deze activiteiten verwoord in de schoolgids, waarin we met elkaar van deze acties rekenschap afleggen.

Schoolcultuur

III.B.1 Omdat de onderliggende waarden van de democratische rechtsstaat door de leerling niet alleen geleerd moeten worden, maar ook herkend moeten worden in de schoolcultuur en – praktijk, is het zaak het gehele team te informeren over de inhoud van deze aangepast wetgeving.

Ook in de lessen en het gedrag van de docenten, die niet direkt bij het onderwijs in burgerschapskunde betrokken zijn, moeten die waarden herkenbaar zijn – ook hun lessen zijn een onderdeel van de school als oefenplaats.

III.B.2 Onderzocht moet worden, of de locale schoolcultuur inderdaad de waarden weerspiegelt, die bij burgerschapskunde geleerd en geoefend moeten worden. Waar een leerling binnen de school niet herkent, wat de school in de lessen wel uitdraagt, ontstaat een onaanvaardbare situatie.

III.B.3 Bevoegd gezag, schoolleiding, docnten, OOP’ers en vrijwilligers zullen zich ervan bewust moeten zijn dat wat ze zeggen en doen in overeenstemming is met wat de school als geheel moet uitdragen.Bekeken moet worden, of de beroepscode eventueel moet worden aangepast.Vrijheid van meningsuiting geldt ook voor docenten, maar binnen de school gelden wel de wetten en regels van de rechtsstaat. Dat vraagt grote zorgvuldigheid, m.n. als het gaat over sexuele diversiteit, en een heel duidelijke stellingname bij bijv. discriminatie.

Toetsing

IV.1. Toetsing van de school. Het feit, dat scholen de ruimte krijgen m.n. de sociaal culturele en de morele vorming tot goed burgerschap conform hun eigen identiteit in te vullen (mits binnen de kaders van de wet, c.q. de abstracte waarden die ten grondslag liggen aan de rechtsstaat), leidt tot de vraag of scholen , vanwege die eigen invulling conform hun identiteit, daar toch niet op afgerekend zullen worden.

Antwoord van de minister :

  1. De inspectie zal zich op dit punt terughoudend opstellen
  2. Het oordeel, of de school al of niet voldoet aan de eisen van de wet, ligt tenslotte bij de rechter.
  3. Dat er binnen de kaders van de wet voldoende ruimte is voor de eigen identiteit, maakt de minister duidelijk met een verwijzing naar ondertekening van de Nashville-verklaring. Die riep wel veel commotie op, maar leidde niet tot veroordeling.

IV.2. Toetsing van de leerling. Scholen zijn verplicht niet alleen doelstellingen te formuleren en leerplannen op te stellen, ze moeten ook de opbrengst volgen en leerresultaten in kaart brengen.Voor de ‘ cognitieve’ kant van het onderwijs is dat geen probleem ; waar het ook gaat om vorming, sociaal- cultureel en moreel, ligt dat anders. Uiteraard moet vorming voldoen aan  kwaliteitseisen, maar, vorming op zich is een proces, dat zich uiteindeklijk aan metingen onttrekt.

Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting gaan hier verder niet op in.

Daarom lijkt het mij goed om hier te verwijzen naar: Tirza van laar, Bijzonder gevormd; Over vorming in het christelijk onderwijs, Kampen 2019.

Ik deel haar conclusie dat vorming op zich niet te meten is, maar de opbrensten, effecten en ervaringen wel.  Die maken de vormende waarde van het onderwijs inzichtelijk.

Die zullen blijken in de praktijk, maar bijv. ook in de reflectie daarop in het plus-document.

Slotbeschouwing

Hoe kijk ik nu, vanuit mijn christelijke levensovertuiging, tegen deze wet aan ? Ik kom dan tot de volgende waarnemingen :

a. De wet legt zich neer bij de secularisatie. De ‘ universele’ wet van God ‘, aan de wereld gegeven met het doel dat het ‘ hun wel zou gaan’ mag je dan voor jezelf belangrijk vinden (je persoonlijke vrijheid) maar

– die mag je een ander niet opleggen

– daar mag je een ander niet naar beoordelen

Om te voorkomen dat secularisatie tot radicalisering of anarchisme leidt, kiezen we met elkaar een ander ijkpunt : de verborgen waarden die ten grondslag liggen aan onze democratie. Die moeten onze samenleving overeind houden.

c.Tegelijk geeft de wet alle ruimte om die verborgen waarden christelijk te onderbouwen en te interpreteren. In wezen stimuleert de wet dat ook. In die zin geeft de wet alle ruimte aan het christelijk onderwijs, en aan onze eigen idealen.

Maar, dan de andere kant: basiswaarden christelijk interpreteren mag, maar….omdat het basiswaarden zijn van een geseculariseerde samenleving, moet je voorzichtig zijn in het spreken en handelen vanuit die christelijke interpretatie.

Kort en bondig gezegd: In een geseculariseerde wereld krijgt de democratie voorrang boven de theocratie.

Op zich behoeven theocratie en democratie geen tegenstellingen te zijn; ze kunnen ook in elkaars verlengde liggen – dat weet de minister beter dan wie dan ook, en in die zin kan deze verduidelijking zeker stabiliserend werken.

Maar de nuchterheid gebied ons ook dit te zeggen: de wet, die enerzijds openingen geeft voor een krachtiger spreken en handelen,  legt in de praktijk ons spreken en handelen mogelijk ook beperkingen op.