Door: Huib van Leeuwen

Onlangs verscheen het boek “Geloof in onderwijs” van de hand van dr. R. Toes. Hij heeft zijn sporen verdiend in het reformatorisch onderwijs, als docent en als schoolleider. Op dit moment is hij de bestuurder van het Wartburgcollege, met diverse vestigingen in west-Nederland.

Het boek gaat over een principiële kijk op onderwijs. De christelijke identiteit vormt de rode draad door alle hoofdstukken heen. Daarnaast is er ook brede aandacht voor wat volgens de schrijver goed onderwijs is. Eerlijk gezegd heeft dat aspect me nog meer geraakt dan alle aandacht die besteed wordt aan christelijk onderwijs. Die stukken heb ik met veel herkenning en instemming gelezen. Door die andere vraag – wat is ‘goed’ onderwijs? – ben ik echter meer aan het denken gezet en kwam ik tot reflectie op wat ikzelf in de praktijk van het middelbaar onderwijs meemaakte. We delen onze geografische herkomst: hij groeide op in Rotterdam-Zuid, ik ken het noorden van de stad heel goed uit mijn jeugd. De christelijke traditie verschilde. Hij is vergroeid met het reformatorisch onderwijs, zoals ik vergroeid ben geraakt met het gereformeerd (vrijgemaakt) onderwijs. De verschillen zijn er, maar er is ook veel overeenkomst en daardoor ook veel herkenning.

Toes heeft gekozen voor een originele indeling van zijn boek. Er is een hoofdindeling in drieën: tijdloos, tijdbetrokken en tijdkritisch onderwijs. De bedoeling daarvan blijkt al snel uit de onderverdeling van elk van die aspecten, ook weer in drieën:

  • tijdloos onderwijs gaat over onderwijsvisie vanuit de eigen identiteit, onderwijzen als de kern en de onvervangbaarheid van de onderwijzer;
  • bij tijdbetrokken onderwijs wordt aandacht besteed aan burgerschapsonderwijs, de vrijheid van onderwijs en de pedagogische opdracht van de school;
  • in het deel over tijdkritisch onderwijs wordt de vinger gelegd bij de individualisering, de aandacht voor seksuele diversiteit en het rendements- en vernieuwingsdenken.

Met deze negen paragrafen biedt Toes een mooi palet om over goed christelijk onderwijs na te denken. Het hielp mij erg om nog eens gestructureerd te reflecteren op waar we mee bezig zijn als we in het onderwijs werken, met daarbij de vraag of alles wat de aandacht vraagt deze ook verdient.

Het boek gaat uit van een waardevolle definitie: “In de kern kan onderwijs worden samengevat met de opdracht om in een pedagogische situatie te komen tot overdracht van de erfenis der eeuwen” (blz. 10). Boeiend is dat dit wordt uitgewerkt aan de hand van het Griekse woord scholè, dat als letterlijke betekenis ‘vrije tijd’ heeft. Er dient op school tijd en rust te zijn om over dingen na te denken, ze te gaan doorgronden en ze zo zich eigen te maken. En dan ook nadenken over de echte vragen van je leven: “wie ben ik en wat wil de Heere met mijn leven?” (blz. 52). Dat maakt de leraar (of, volgens de voorkeur van de auteur: de onderwijzer) tot iemand die onvervangbaar is; hij brengt de stof dicht bij de leerlingen, vertelt verhalen, staat boven de stof doordat hij zich die eigen gemaakt heeft. De schrijver moet niets hebben van de (doorgeslagen) individualisering en het maatwerk waar leerlingen recht op zouden hebben. Die afkeer is geheel in lijn met de al geciteerde definitie van onderwijs. Het klassikaal lesgeven is een goede manier waardoor de leerlingen samen door het leerproces heengaan; aan iedereen worden dezelfde eisen gesteld, ze maken als groep zich de leerstof eigen (verg. blz. 83).

Het belang van burgerschapsonderwijs wordt vooral gekoppeld aan het (voor mij herkenbare) doel dat reformatorische scholen formuleren met woorden als “als christen zelfstandig en actief verantwoordelijkheid dragen voor de belangen van de gemeenschap in en buiten de school” (blz. 106). Daarin klinkt helder door dat dit onderwijs gegeven wordt binnen de kaders van de geloofsgemeenschap die een christelijke school is. Om het met een kernwaarde van ‘mijn’ school te zeggen: we delen het geloof met elkaar in dingen die we doen en in de manier waarop we over actuele onderwerpen praten. Die vrijheid hebben scholen ook, dankzij de bestaande vrijheid van onderwijs. Daar moeten we ons sterk voor maken; ik zeg: misschien nog wel meer door de inrichting van het onderwijs dan door de verschillende richtingen die door de overheid erkend worden. Toes zegt hierover o.a. dit: “De school mag een deel van die taak van de ouders overnemen, overeenkomstig de doopbelofte. Op veel christelijke scholen wordt dat concreet vormgegeven door dagopeningen, weekopeningen, het doordenken van onze vakken vanuit Bijbels perspectief, maar vooral door docenten die als identificatiefiguren een onuitwisbare indruk op onze leerlingen maken” (blz. 118). Daarvoor is een bijdetijdse maar beginselvaste pedagogiek onmisbaar. De schrijver verwijst naar de uitgave “Essenties van christelijk leraarschap” van Driestar educatief (Gouda 2017) en kondigt aan dat een verder uitgewerkte christelijk-reformatorische pedagogiek op het punt van verschijnen staat. Graag neem ik de gelegenheid te baat om te verwijzen naar de recente uitgaven van LVGS / Verus / TUKampen over dit thema.

De schrijver keert zich in niet mis te verstane woorden tegen de doorgeslagen individualisering, ook in het onderwijs. “Het heeft consequenties voor inhouden, voor gezag, voor het beeld van het kind. Het leidt ook tot een toenemende medicalisering en therapeutisering van het onderwijs”(blz. 166). Het thema seksuele diversiteit wordt aangegrepen om duidelijk te maken hoe reformatorische scholen ruimte bieden aan leerlingen en medewerkers “om uit te komen voor hun homoseksuele gerichtheid” (blz. 185). In het licht van recente publiciteit in de media, waar een verouderde en eenzijdig weergegeven praktijk werd neergezet, is het goed ook deze kant van het verhaal te vernemen. Het derde thema: rendements- en vernieuwingsdenken, is ook onderwerp van een kritische beschouwing. Er worden behartigenswaardige dingen over gezegd met heldere argumenten om niet kritiekloos met alle winden mee te waaien. Samenvattend schrijft Toes: “Mijns inziens moeten we meer geloof hebben in onderwijs. In de kracht van het onderwijzen. En met onderwijs bedoel ik eenvoudig: de docent die in zijn lessen in staat is de door het voorgeslacht verworven en opgebouwde wijsheid en kennis over te dragen op de leerlingen”(blz. 203).

Ik heb het boek met plezier en ook met veel instemming gelezen. Het biedt handvatten voor verdere doordenking en bespreking. Elke paragraaf wordt afgesloten met gesprekspunten. De schrijver heeft gekozen voor een toegankelijke schrijfstijl, waardoor het voor velen mogelijk zal zijn om lezing tot het einde vol te houden. Van harte beveel ik het boek aan voor ieder die zich wil inzetten voor goed, christelijk onderwijs.

Het boek zet aan tot denken en reflecteren. Wat het bij mij naar boven bracht wil ik illustreren met drie suggesties voor verder gesprek.

  1. Toes benadrukt sterk het belang van ‘onderwijzen’: de docent moet leerlingen meenemen in de kennis die hij bezit, om die aan hen over te dragen. Dat kan leiden tot eenrichtingsverkeer in de klas. Dat is niet de bedoeling van de schrijver; hij houdt geen “pleidooi voor een ‘pratend hoofd’ voor de klas” (blz. 203). Wel heeft hij steekhoudende bezwaren tegen individualisering. Mijn vraag is waar de grens ligt met maatwerk in de zin van: een leerling moet ook zelf tot leren komen, en daarbij verschillen de beginsituaties onderling behoorlijk, zelfs in homogene klassen. De onderwijzer moet de leerlingen bereiken en beïnvloeden of – dat past meer in onderwijsjargon – motiveren. Een eigentijdse benadering kan daaraan dienstbaar zijn. Die gedachte kwam bij mij naar boven, toen ik las (blz. 65) dat goede verhalen krachtig kunnen zijn, en een soort tegengif tegen wat jongeren tegenwoordig dagelijks zoeken bij bijvoorbeeld influencers. Hoe mooi, wanneer de onderwijzer zo’n aansprekende, overtuigende of zelfs verleidelijke influencer zou kunnen zijn!

 

  1. Graag ga ik mee met de kritische kanttekeningen die Toes plaatst bij ‘de burgerschapsopdracht voor het onderwijs’. Het legt een claim op de toch al schaarse onderwijstijd en het kan een bedreiging zijn voor de vrijheid van onderwijs. Tegelijk zie ik hier ook grote kansen voor christelijk onderwijs, juist vanuit de eigen identiteit die we willen hebben. Ik stel een aanpak voor die pro-actief is. Denk zelf na over wat je verstaat onder vormend onderwijs en hoe je dat praktisch vorm wilt geven. Ongetwijfeld zullen elementen van de burgerschapsopdracht daar ook deel van uitmaken. Beschrijf vanuit jouw visie hoe je op jouw school die vorming (inclusief de burgerschapsvorming) in de praktijk uitwerkt, en maak dat duidelijk aan wie daar maar naar vraagt. Neem op die manier het heft zelf in handen, ook richting Inspectie. Een krachtige, zelf beschreven identiteit, niet gespeend van gepaste eigenzinnigheid, past bij de vrijheid van onderwijs, uitgewerkt in de inrichting ervan. Zou dat niet kansrijker zijn dan een defensieve houding die ik regelmatig hoor en lees?

 

  1. Wij vinden elkaar in de verbinding tussen identiteit en kwaliteit in het onderwijs. Ik ga een heel eind mee met de argwaan van Toes over de macht van data en statistieken. Rendementsdenken kan zomaar doorslaan naar rankings en lijstjes van ‘de beste scholen’. Dat past bijna principieel niet bij een ‘zachte’ sector als het onderwijs. Om nog een citaat te geven: “We zijn zo gefocust op de resultaten dat we bijna vergeten dat onze leerlingen ook gewoon kinderen zijn, die zich als mens ontwikkelen en een stimulans nodig hebben om hun best te doen ongeacht wat de uitkomst ook zal zijn” (blz. 196). Toch ontkomt ook Toes er niet aan om de data te gebruiken om zijn eigen gelijk te bevestigen (de dalende scores in de PISA-onderzoeken verstevigen “mijn pleidooi om veel aandacht te geven aan lezen op school”, blz. 191). Datagebruik kan inderdaad leiden tot een ongewenste sfeer. Toch zie ik er ook een andere kant van. Data kunnen helpen om als collega’s eens goed te reflecteren op de opbrengsten van het onderwijs, in de veilige setting van een professioneel gesprek daarover. Dat gesprek wordt dan gevoerd op basis van feiten en niet van gevoelens.

Huib van Leeuwen, 12 maart 2021

n.a.v. “Geloof in onderwijs”, dr. R. Toes, Apeldoorn 2020.

Huib van Leeuwen werkte tot aan zijn pensionering eind 2020 bij de GSR (gereformeerd VO in Rotterdam en Rijswijk). Daarnaast is hij voorzitter van GRIP, het identiteitsplatform voor het gereformeerd VO.