Vanuit het I&K-netwerk kennen we uw naam omdat u verbonden bent aan de CHE en als hoogleraar christelijke filosofie werkzaam bent aan de Universiteit van Wageningen. Ook hebt u in het verleden wel uw bijdrage geleverd aan scholingsdagen van het I&K-netwerk. Welke onderwijservaring hebt u opgedaan in de achter u liggende periode?

De afgelopen maanden heb ik mijn eerste colleges gegeven in Wageningen. Over voedselethiek. Met aandacht voor onderwerpen als gezond eten, dierethiek, honger, rentmeesterschap, globalisering, duurzaamheid. Twintig studenten deden mee. De studenten schrijven na afloop van het college een essay waarin ze hun standpunt verwoorden. Erg leuk om al die essays te lezen!

Hoe hebt u zelf kennisgemaakt met de christelijke filosofie en waarom bent u zich daar verder mee bezig gaan houden?
Ik leerde de christelijke filosofie kennen via mijn voorganger in Wageningen, prof.dr.ir. E. Schuurman. Ik studeerde biologie in Wageningen, maar kwam steeds meer tot de overtuiging dat bij het zorgen voor de schepping levensbeschouwing een belangrijke rol speelt. Bodem, planten en dieren zijn aan onze zorg toevertrouwd. We moeten er zorgvuldig mee omgaan. De christelijke filosofie leerde me hoe mooi en complex de werkelijkheid is. Je kunt het geschapene niet reduceren tot bijvoorbeeld louter materie of louter economische waarde. Ook leerde ik om in het debat over geloof en wetenschap een eigen positie in te nemen.

Waar ziet u verbinding tussen de christelijke filosofie en de schoolvakken? Ligt dat voor alle vakken even duidelijk?
Iedere discipline kent bepaalde basisvragen. In de biologie is dat bijvoorbeeld de vraag hoe het leven is ontstaan. Bij economie kun je de vraag stellen of mensen wel of niet rationele beslissingen maken. En bij kunst wat schoonheid is, of juist het verhevene. Waarom noemen we het ene wel kunst, en het andere niet? Welke rol spelen verhalen? Hoe verhouden feit en fictie zich tot elkaar? Natuurlijk liggen filosofische vragen bij sommige vakken meer aan de oppervlakte dan bij andere vakken. Maar zelfs bij wiskunde zijn filosofische vragen te stellen.

Op welke wijze zou de christelijke filosofie een rol kunnen spelen bij de vorming van leerlingen?

Christelijke filosofie kan helpen om ons ervan bewust te maken hoe belangrijk vooronderstellingen zijn in de wetenschap. Wetenschap is minder neutraal dan we vaak denken. Er worden altijd bepaalde aannames gedaan. Tegelijkertijd moeten we juist in deze tijd ook benadrukken hoe belangrijk wetenschap is. Door alle kennis die is opgedaan, en door alle procedures die ontwikkeld zijn om vast te stellen wat waar en niet waar is, krijgen we meer zicht op hoe de werkelijkheid in elkaar zit. We moeten zuinig zijn op de wetenschap, juist in een tijd waarin fake news en complottheorieën welig tieren.

Is het denken vanuit christelijke filosofie alleen geschikt voor vwo-bovenbouw of kan het ook breder in het onderwijs zijn waarde hebben?
Ik denk dat ook in de onderbouw al filosofische vragen aan de orde kunnen worden gesteld. Gewoon, heel basaal. Wat mij opvalt is dat jongeren al heel vroeg filosofische vragen beginnen te stellen. Hoe ben ik er zeker van dat wat ik meemaak geen illusie is? Of een droom? Wordt wat we doen bepaald door onze genen, of bestaat er ook zoiets als een vrije wil? Hoe groot is nu eigenlijk echt het verschil tussen mensen, apen en andere dieren? Mag je dieren eigenlijk wel pijn doen, of in gevangenschap houden? Kunnen computers denken? En wat als apparaten door gebruik van kunstmatige intelligentie effectiever kunnen handelen dan mensen?

Wat zou u aan docenten willen meegeven?
Filosofie heef alles te maken met verwondering. Probeer je steeds weer te laten verrassen door hoe mooi de wereld in elkaar zit. Als je leerlingen iets van het geheim van het leven kunt laten zien, heb je al bijgedragen aan hun filosofische vorming. Kennis begint niet bij objectiviteit, het begint bij liefde voor wat je om je heen ziet.


Jan van der Stoep is verbonden aan  Wageningen University & Research en Christelijke Hogeschool Ede, heeft 25 jaar onderwijservaring, maar niet altijd even intensief.