Janneke de Jong. Foto: RD, Anton Dommerholt

Wat bent u vooral: vakidioot, vakdidacticus of pedagoog? 

Een vakidioot, denk ik, hoewel ik steeds meer het belang van goede didactiek onderken. Van docent Nederlands ben ik vooral literatuurdocent geworden. Op de lerarenopleiding Nederlands geef ik moderne letterkunde en jeugdliteratuur. Sinds een paar jaar ben ik ook als onderzoeker op dat gebied werkzaam. Momenteel werk ik met een postdocsubsidie aan een onderzoek over het versterken van jeugdliteratuur op de pabo. Kan dat online gestalte krijgen, met een hardopdenkende ervaren docent als voorbeeld en inspirator?

 Welk element typeert al uw lessen? 

Ik probeer altijd de dagopening te verbinden aan de lesstof. Als ik bijvoorbeeld de dichter J. C. Bloem behandel, die schrijft over een onvervuld verlangen, lees ik psalm 42 of 63, over het verlangen naar God. Dat geeft een verticale dimensie en zet ons stil bij ons eigen verlangen.
Verder probeer ik natuurlijk studenten literatuur aan te bieden die bij hen past, zodat ze hun horizon verbreden.

U bent voor één dag onderwijsminister. Wat wilt u voorgoed vastleggen binnen het onderwijs? 

Meer contacturen in het hoger onderwijs, meer literatuur en kunst en waardering voor kennis. Dus niet alleen een leesoffensief uitroepen, maar het lezen ook structureel bevorderen en faciliteren. Laat docenten samen literatuur lezen en bespreken en honoreer dat als professionalisering.

Nu u toch bezig bent: welke waardevolle ervaring of tip zou u graag willen delen? 

Zet jeugdliteratuur in bij verschillende vakken en ook bij lastige, controversiële onderwerpen. Ooit heeft een lvo-studente een scriptie geschreven over seksualiteit in de jeugdliteratuur. Aan de hand van tekstfragmenten – in de sfeer van ‘Praten over romanfragmenten’ – liet zij haar leerlingen nadenken over hun gedrag op dat terrein, over grenzen stellen en respect hebben. Moeilijke onderwerpen kun je door middel van een verhaal bespreekbaar maken. Dat is veilig: de leerlingen praten immers over personages en gebeurtenissen in het verhaal, in plaats van rechtstreeks over zichzelf en hun eigen opvattingen.
Ook bij burgerschapsonderwerpen kan jeugdliteratuur goede diensten bewijzen. Daarom werk ik van harte mee aan de website www.boekenopdracht.nl. Recent heeft een student een les gemaakt over euthanasie, op basis van het boek Code kattenkruid van Jacques Vriens. Zo kunnen docenten een jeugdboek ook als middel gebruiken, en niet alleen als doel. En dat geldt niet alleen voor docenten Nederlands.

U hebt een onderwijscarrière, maar mag helemaal opnieuw beginnen. Wat zou u heel anders aanpakken? 

Heel anders? Dat weet ik niet zo goed. Ooit heb ik een opleiding voor boekhandelaar gevolgd; dat vak trekt nog steeds. Mijn man verkoopt tweedehands boeken, dus we zijn altijd met boeken bezig. Het doorgeven en enthousiasmeren hoort er echt bij, dus toch weer het onderwijs, denk ik. De combinatie met onderzoek is fijn, want eerlijk gezegd vind ik het onderwijs wel zwaar. Ik bewonder mijn collega’s die heel veel colleges geven. Voor mij is dat een relatief beperkt onderdeel van mijn weektaak.

U werkt op een christelijk school. Wat onderscheidt uw vaklessen van diezelfde lessen op een niet-christelijke school? 

De leerstof ligt in zekere zin vast, maar ook binnen de moderne letterkunde kun je keuzes maken. Zo behandel ik bijvoorbeeld Henriette Roland Holst uitgebreid, hoewel haar poëzie in mijn ogen geen bijzonder hoge kwaliteit heeft. Haar levensgang spreekt studenten aan, en haar pleidooi om voor de ‘ontrechten’ in de maatschappij een beter leven te realiseren is helaas nog altijd – of opnieuw –  heel relevant. Dat kun je zomaar verbinden met ‘Sander en de kloof’.
Naast de stofkeuze en de accenten die ik leg, probeer ik de keuze voor bepaalde literatuur te bespreken. Wat laten de studenten hun leerlingen lezen en waarom? Onze studenten moeten een professionele houding (leren) aannemen: omdat zij als beroepstaak voor hun leerlingen literatuur selecteren, moeten zij breed lezen en nadenken over hun grenzen. Veel studenten vinden dat moeilijk, zeker als zij op hun (reformatorische) vo-school met een beperkt aanbod kennis hebben gemaakt. Als ik een omstreden auteur behandel en genuanceerd zijn biografie bespreek, levert dat nogal eens vruchtbare gesprekken op. De studenten leren dan hun oordeel uit te stellen en oefenen zich erin om niet alleen met een morele blik naar literatuur te kijken, maar ook met een pedagogische en een literaire. Ik geniet ervan als ik op een mondeling tentamen met vierdejaars studenten zie wat zij gedurende de opleiding op dit gebied hebben geleerd.

De leerlingen verlaten uw lessen en school. Wat hoopt u dat ze zich daarover over 25 jaar herinneren?

Ik hoop dat ze lezers zijn en blijven. Dat ze met de Bijbel als kompas midden in de samenleving staan en hun leerlingen niet alleen kennis bijbrengen, maar daadwerkelijk vormen.

Welke inspirerende spreuk wilt u meegeven aan de lezers van de I&K-Nieuwsbrief? 

‘Die lezen mogen eenzaam wezen’ – uit het gedicht ‘Onvervreemdbaar’ van Ida Gerhardt. Stilte zoeken, je voeden met rijke literatuur om te voorkomen dat je je alleen maar bezighoudt met de waan van de dag.

Dr. Janneke De Jong-Slagman heeft 36 jaar onderwijservaring en werkt o.a. 22 aan Hogeschool Driestar. Momenteel doet ze post-doc onderzoek bij Driestar Educatief.