Wat bent u vooral: vakidioot, vakdidacticus of pedagoog? 

Ik ben een combinatie van alle drie. Ik ben en blijf een gymnastieker, ik zou nooit een ander vak willen geven, ik krijg al jeuk als ik in een ander lokaal zit. Maar didactiek vind ik ook leuk; welke werkvormen kies je, hoe betrek je alle leerlingen bij je vak, hoe ontwikkel je je jezelf op dat gebied, maar ook, hoe doe je dat samen met je vakgroep. We zien elkaar als collega’s LO heel vaak en dat werkt positief door op de vak ontwikkeling. Door het gesprek met elkaar ontstaan nieuwe ideeën.

Welk element typeert al uw lessen? 

Humor vind ik belangrijk. Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd. En verantwoording leggen bij de leerling, dat is een vast element dat in elke les terugkomt.

U bent voor één dag onderwijsminister. Wat wilt u voorgoed vastleggen binnen het onderwijs? 

Kleinere klassen en minder lessen.

Nu u toch bezig bent: welke waardevolle ervaring of tip zou u graag willen delen? 

Open blijven staan voor nieuwe ontwikkelingen binnen het onderwijs, binnen je vakgebied, binnen de school. Als je dat niet meer hebt dan word je de docent met het vergeelde schriftje, die zijn lessen van 20 jaar geleden nog steeds op dezelfde manier geeft.

U hebt een onderwijscarrière, maar mag helemaal opnieuw beginnen. Wat zou u heel anders aanpakken? 

Uiteindelijk zou ik het niet heel anders doen. Ik had ooit het idee dat ik niet altijd op dezelfde school zou willen lesgeven en heb ook twee keer gesolliciteerd maar uiteindelijk ben ik blij dat ik op dezelfde school ben gebleven. Het is me goed bevallen en ik denk weleens “het heeft zo moeten zijn, kennelijk moet ik hier m’n weg vinden”. Er zijn zoveel ontwikkelingen geweest waar ik bij betrokken ben geweest en waar ik meer dan genoeg uitdaging in heb gevonden: nieuwe gymzalen, de ontwikkeling van ons vak van “vak in de marge” naar een vak met een schoolexamen, didactische vernieuwingen en nog veel meer.

U werkt op een christelijk school. Wat onderscheidt uw vaklessen van diezelfde lessen op een niet-christelijke school? 

Wij hebben al jaren geleden als vakgroep nagedacht over de relatie tussen de christelijke identiteit en onze vakinhoud en vanuit het uitgangspunt dat we toen hebben opgesteld ontwikkelen we ons als vakgroep nog steeds. Het belangrijkste daarbij is dat we bij het beoordelen van de leerlingen niet zozeer kijken hoe goed hij kan voetballen maar meer uitgaan van de relatie. De leerling wordt daar ook actief bij betrokken. We beoordelen de groei van het motorisch proces, niet het eindresultaat. Daarbij is oog voor de ander belangrijk, hoe ga je om met je klasgenoot maar ook met de groep als geheel. Dan kan een leerling motorisch goed zijn maar toch storend gedrag vertonen. Daar gaan we over in gesprek en dat speelt een rol bij de beoordeling. We geven nog steeds cijfers maar de route ernaar toe is veranderd. We willen heel duidelijk ook “vorming” meenemen in onze becijfering.

De leerlingen verlaten uw lessen en school. Wat hoopt u dat ze zich daarover over 25 jaar herinneren?

“Die van de Pol, dat was dikke lol…”. Ik hoop in elk geval dat ze een positief gevoel aan de gymlessen hebben overgehouden.

Welke inspirerende spreuk wilt u meegeven aan de lezers van de I&K-Nieuwsbrief? 

Waar je hart ligt, daar moet je dichtbij blijven. Zowel naar je lessen, als naar de leerlingen als naar je collega’s.

Bob van de Pol was 43 jaar docent LO, LO2 en BSM aan het Ichthuscollege, Veenendaal.

Bekijk ook het vakwerkplan en een uitgebalanceerd beoordelingsmodel van zijn hand op onze website.